Monografieën


Prebiotica

Orthomoleculaire therapie | Darmproducten

Download als PDF

Synoniemen

inuline, FOS, fructooligosacchariden

Werking

De meeste gezondheidseffecten van prebiotica hangen samen met het vermogen de groei van probiotische bacteriën, met name de bifidobacteriën, in de dikke darm te stimuleren. Voor een uitgebreidere bespreking van de eigenschappen en werkingen van probiotische bacteriën wordt verwezen naar de monografie over probiotica. Om die reden treft u in dit artikel alleen een korte samenvatting van de eigenschappen [3-9]:
  • Immuunsysteem: Stimulatie van het immuunsysteem van de darm (Gut Associated Lymphoid Tissue, GALT) en elders in het lichaam (Mucosa Associated Lymphoid Tissue, MALT). Een belangrijk werkingsmechanisme van prebiotica is dat de microflora die door de prebiotica gestimuleerd wordt, in nauwe interactie met het GALT staat. Er worden diverse immuuncomponenten uitgewisseld. Door de aard van het GALT heeft dit niet alleen lokaal gevolgen, maar ook voor andere delen van het MALT en uiteindelijk voor het hele immuunsysteem [9].
  • Productie van organische zuren: (o.a. lactaat, succinaat, butyraat) en korte keten vetzuren (acetaat, propionaat, butyraat), die het darmmilieu verzuren.
  • Remming groei schadelijke bacteriën via:
    - productie bacteriocines Sommige darmbacteriën produceren stoffen (o.a. lactoferrine), die de groei van pathogene bacteriën remmen.
    - succesvolle competitie om substraat
    - succesvolle competitie om adhesie aan darmepitheel
    - stimulering van het GALT, het lymfatisch weefsel in de darmmucosa
    - verzuring van het darmmilieu
  • Cholersterolstofwisseling: pre- en probiotica beïnvloeden de cholesterolstofwisseling door remming van de cholesterolsynthese of door vermindering van de absorptie ervan.
  • Verbetering eiwitafbraak: een verbeterde microflora is beter in staat stikstofverbindingen op te nemen. Bovendien vindt er in een verzuurd colon minder afbraak van stikstofverbindingen naar ammoniak en andere cerebrale toxines plaats.
  • Verbetering biologische beschikbaarheid van mineralen: prebiotica blijken een gunstig effect te hebben op de absorptie van mineralen, met name die van calcium en magnesium, maar waarschijnlijk ook van ijzer en zink [12].
  • Darm-hersenverbinding: de darm is ook een belangrijk hormonaal orgaan en communiceert hoofdzakelijk met de hersenen. Op deze manier wordt onder meer ons eetgedrag gereguleerd. De darmflora speelt een belangrijke rol bij deze darm-hersencommunicatie [2].
  • Verbetering darmmotiliteit [6]: alle aan prebiotica toegeschreven gezondheidseffecten hangen samen met het stimulerend effect op de endogene probiotische flora. Zo zijn ze effectief in de preventie en behandeling van een groot aantal darmaandoeningen [3-9].
  • Constipatie: is een groot probleem in westerse landen als gevolg van veranderingen in inname van vocht en voedsel, vermindering van de hoeveelheid vezels, gebruik van medicijnen (zoals laxeermiddelen), vermindering van darmmotiliteit en fysieke inactiviteit. Het gebruik van prebiotica blijkt effectief om de passagesnelheid in de darm te verbeteren. Waarschijnlijk niet alleen vanwege een osmotisch effect in de dunne darm, maar ook door beïnvloeding van de microflora in het colon [13].
  • Hepatische encefalopathie: diverse klinische studies hebben aangetoond dat prebiotische vezels beter dan een placebo zijn in de behandeling van hepatische encefalopathie. In het zure darmmileu dat tijdens de fermentatie van prebiotica ontstaat, wordt bij de eiwitafbraak vooral het niet-absorbeerbare ammonia (NH4+) gevormd in plaats van het voor de hersenen toxische ammoniak (NH3) [8].
  • Chronische darmontstekingen: er zijn aanwijzingen dat een verstoorde immuunreactie op darmbacteriën een belangrijke rol speelt bij colitis ulcerosa. De bacteriepopulatie zou ook in het algemeen meer pro-inflammatoir zijn. Een veelgebruikte behandelingsstrategie voor deze aandoening is er dan ook op gericht om de flora te verbeteren in de richting van bifidobacteriën [14].
  • Darminfecties en diarree: prebiotische voedingsstoffen kunnen de incidentie en zwaarte van diarree verminderen. Dit geldt zowel voor infantiele diarree als gevolg van een darminfectie als voor antibiotica-gerelateerde diarree [15].
  • Irritabel Bowel Syndrome (IBS): diverse studies wijzen op een verlichtend effect van probiotica bij IBS. Voor prebiotica is dat minder duidelijk, maar ook daar zijn positieve klinische resultaten [16].
  • Verbetering mineralenabsorptie: recent onderzoek wijst er op dat een verhoogde inname van plantaardige vezels, groenten en fruit samenhangt met een hogere botdichtheid, zowel bij mannen als bij vrouwen. Van alle vezels is het effect van FOS op de botopbouw het best onderzocht [12].
  • Immuunzwakte: naarmate de mens ouder wordt neemt het vermogen van het immuunsysteem om een effectieve immuunreactie te genereren af. FOS en inuline blijken diverse immuunparameters te verbeteren [13].

Bijwerkingen

Zolang prebiotische vezels nog niet worden gefermenteerd (vooral tijdens hun verblijf in de dunne darm), hebben ze een wateraantrekkend (osmotisch) effect. Eenmaal in het colon aangekomen worden ze gefermenteerd, een proces waar gas (CO2, H2 en CH4) bij wordt geproduceerd. Prebiotica hebben daardoor het risico dat ze soms diarree of flatulentie kunnen veroorzaken en slecht worden verdragen door patiënten met IBS (Irritable Bowel Syndrome). In die gevallen wordt geadviseerd de doses te verlagen (kleinere doses worden dan meestal wel goed verdragen) of uitsluitend probiotica te gebruiken die deze bijwerkingen niet hebben.

Dosering

Een gebruikelijke dosering prebiotica is 5-10 gram per dag, verdeeld over de dag ingenomen. Inname bij de maaltijd is niet speciaal nodig. Wanneer prebiotica met probiotica worden gecombineerd, is echter inname tegelijk met het probioticum aan te bevelen.

Synergisme

Behandeling met prebiotica kan zeer goed worden gecombineerd met probiotica. Deze combinatie wordt ‘synbioticum’ genoemd (en geen ‘symbioticum’, zoals vaak ten onrechte wordt geschreven). Een groot voordeel van combinatie van pre- en probiotica is dat het prebioticum de overleving van de bacteriën in het probioticum verbetert. Om deze reden wordt FOS of andere prebiotica soms toegevoegd aan probiotische formules. De hoeveelheid toegevoegde FOS is in dergelijke samenstellingen vaak minder dan 500 mg. Deze hoeveelheden zijn waarschijnlijk te klein om een significant effect te bewerkstelligen. Beter is het om enkele grammen van de prebiotische vezels op te lossen in een glas water waarin ook de probiotische bacteriën de kans krijgen te rehydrateren.

Referenties

  1. Plooy M, Verleur H, Rustenmeyer C. Voedingsvezel, nutteloze ballast of noodzakelijk bestanddeel? Ned. Tijdschr. Geneeskd. 1980; 124(38):1579-84.
  2. Smith AP. The concept of well-being: relevance to nutrition research. Br J Nutr. 2005; 93 Suppl 1:S1-5.
  3. Bengmark S, Martindale R. Prebiotics and synbiotics in clinical medicine. Nutr Clin Pract. 2005; 20(2):244-61.
  4. Gibson GR, Roberfroid MB. Dietary modulation of the human colonic microbiota: introducing the concept of prebiotics. J Nutr. 1995;125(6):1401-12.
  5. Kaur N, Gupta AK. Applications of inulin and oligofructose in health and nutrition. J Biosci. 2002; 27(7):703-14.
  6. Roberfroid M. Dietary fiber, inulin, and oligofructose: a review comparing their physiological effects. Crit Rev Food Sci Nutr. 1993; 33(2):103-48.
  7. Roberfroid MB. Introducing inulin-type fructans. Br J Nutr. 2005;93 Suppl 1:S13-25.
  8. Manning TS, Gibson GR. Microbial-gut interactions in health and disease. Prebiotics. Best Pract Res Clin Gastroenterol. 2004; 18(2):287-98.
  9. Saavedra JM, Tschernia A. Human studies with probiotics and prebiotics: clinical implications. Br J Nutr. 2002; 87 Suppl 2:S241-6.
  10. Newburg DS, Ruiz-Palacios GM, Morrow AL. Human milk glycans protect infants against enteric pathogens. Annu Rev Nutr. 2005; 25:37-58.
  11. Beylot M. Effects of inulin-type fructans on lipid metabolism in man and in animal models. Br J Nutr. 2005; 93 Suppl 1:S163-8.
  12. Coxam V. Inulin-type fructans and bone health: state of the art and perspectives in the management of osteoporosis. Br J Nutr. 2005;93 Suppl 1:S111-23.
  13. Hamilton-Miller JM. Probiotics and prebiotics in the elderly. Postgrad Med J. 2004; 80(946):447-51.
  14. Sartor RB. Therapeutic manipulation of the enteric microflora in inflammatory bowel diseases: antibiotics, probiotics, and prebiotics. Gastroenterology. 2004; 126(6):1620-33.
  15. Gibson GR, McCartney AL, Rastall RA. Prebiotics and resistance to gastrointestinal infections. Br J Nutr. 2005; 93 Suppl 1:S31-4.
  16. Bittner AC, Croffut RM, Stranahan MC. Prescript-Assist probiotic-prebiotic treatment for irritable bowel syndrome: a methodologically oriented, 2-week, randomized, placebo-controlled, double-blind clinical study. Clin Ther. 2005; 27(6):755-61.
  17. Taper HS, Roberfroid MB. Possible adjuvant cancer therapy by two prebiotics--inulin or oligofructose. In Vivo. 2005; 19(1):201-4.
  18. Pool-Zobel BL. Inulin-type fructans and reduction in colon cancer risk: review of experimental and human data. Br J Nutr. 2005; 93 Suppl 1:S73-90.