N-acetylcysteïne remt stafylokokken-biofilms bij chronische rhinosinusitis

Deze studie onderzoekt in vitro hoe N-acetylcysteïne (NAC) de vorming en het opruimen van stafylokokken-biofilms beïnvloedt bij patiënten met chronische rhinosinusitis (CRS), mét (CRSwNP) of zonder (CRSsNP) neuspoliepen. Biofilms zijn gestructureerde bacteriegemeenschappen die vastzitten aan een oppervlak en worden beschermd door een extracellulaire polymerenmatrix (EPM) die bestaat uit o.a. suikers, eiwitten en extracellulair DNA, waardoor afweer en antibiotica minder goed werken.

Uit weefselmonsters van 75 CRS-patiënten werden in 72% stafylokokken geïsoleerd. Staphylococcus aureus was het meest voorkomend en vormde gemiddeld de sterkste biofilms. In het onderzoek gebruikten de onderzoekers de minimum inhibitory concentration (MIC). Dat is de laagste concentratie die de bacteriegroei remt. Bij een lage dosis NAC (3,1 mg/mL = ½ MIC) kon NAC bij 77,8% van de bacteriestammen volledig voorkomen dat er een biofilm ontstond. Maar als de biofilm al gevormd was, werkte zo’n lage dosis niet goed voldoende. Dan was een veel hogere dosis nodig (49,6 mg/mL = 8× MIC) om bij 81,5% van de stammen de biofilm volledig op te ruimen.

Er was geen significant verschil tussen CRSwNP en CRSsNP, wat suggereert dat NAC vooral op matrixcomponenten werkt en minder op het ontstekingsfenotype.

Kortom, NAC remt bij de meeste stafylokokkenisolaten uit chronische rhinosinusitis effectief de biofilmvorming (al bij lage doses) en kan bestaande biofilms verwijderen (bij hogere doses), zonder verschil tussen patiënten mét of zonder neuspoliepen.

Wil je meer weten? Lees dan hier het artikel.

Contact advies 2

Heb je hulp of advies nodig?

Ons team Advies voor Professionals helpt je graag. Mail ons voor vragen over educatie, stoffen en indicaties. Voor productadvies bel je de advieslijn.