Nieuws

Woensdag 1 november 2017

Autisme: darmflora en evolutie

Een autisme spectrum stoornis (ASS) wordt vastgesteld op basis van gedrag. Maar wat als dat gedrag wordt veroorzaakt door een ongunstige darmflora? Een review van 150 onderzoeken toont aan dat voeding en suppletie de symptomen van ASS significant kunnen verminderen.

 

Volgens het diagnostisch handboek DSM-V wordt autisme vooral gekenmerkt door ernstige en blijvende problemen in de sociale interactie, een beperkt interessegebied en over- of ondergevoeligheid voor stimuli uit de omgeving [1]. Wanneer dit vanaf de kindertijd aanwezig is – én dit het functioneren ernstig belemmert – kan er een diagnose Autisme Spectrum Stoornis (ASS) volgen.

 

Van gedrag naar biologie

De diagnose ASS wordt opgebouwd rond observaties van het (eigen) gedrag. Er wordt een intelligentietest uitgevoerd om het sociale ontwikkelingsniveau te toetsen aan het intellectuele. Op basis daarvan worden vervolgens conclusies getrokken over de adaptiviteit van het gedrag. Maar wat vertelt onze biologie eigenlijk over autisme?

 

Een neurobiologische basis voor autisme is nog toekomstmuziek [2]. Dit komt onder andere vanwege een ware wildgroei aan ‘autismegenen’ die overal over het genoom verspreid liggen. Daarnaast zijn er ontzettend veel factoren die bepalen of en hoe autistiform gedrag tot uiting komt. Reviewonderzoek van de Peking Universiteit (CHN) laat in ieder geval alvast zien dat autistiform gedrag stevig onder invloed staat van de darmflora [3].

 

De darmflora staat logischerwijs in voortdurend verband met voeding en lifestyle. Kunnen we daarom concluderen dat onze evolutionaire mismatch ook hier weer een rol speelt?

 

Relatie darmflora en autistiform gedrag

De onderzoekers maakten een review van 150 onderzoeken over ASS. Daaruit bleek allereerst dat men al in de jaren zestig een verband zag tussen darmproblematiek en autistiform gedrag. Vanuit de praktijk is het u wellicht al langer bekend dat veel mensen met autisme gastro-intestinale problemen ervaren, waaronder diarree, constipatie en flatulentie.

 

Genoemde klachten komen voort uit een disbalans tussen gunstige en ongunstige bacteriën in de darm. Ook overgevoeligheid voor gluten en caseïne wordt overigens vaak gerapporteerd door mensen met autisme. Al deze (evolutionair jonge) factoren hebben via de darm-microbioom-hersenas (DMH-as) effect op de hersenen [4].

 

Lees meer over de bidirectionele DMH-as in De mens als superorganisme van dr. Leo Pruimboom.

 

Herstel van de darmflora

Uit veel van de onderzoeken die werden gebruikt voor de review blijkt volgens de wetenschappers dat herstel van de darmflora symptomen van autisme kan wegnemen: "Bij onze review keken we naar suppletie met probiotica, prebiotica, voeding – bijvoorbeeld caseïne- en glutenvrije diëten – en transplantatie van faeces. Al deze interventies hadden een positieve impact op de symptomen van ASS." [5]

 

Symptomen van autisme die men vaak zag verbeteren, waren onder andere repetitief gedrag, sociale vaardigheden en communicatie. Vooral verbetering in deze laatste twee kunnen een gunstig effect hebben op het functioneren, zowel op het werk als in de persoonlijke omgeving.

 

Genen en evolutie

Wat we autisme noemen, is een balans tussen genen en gedrag, epigenen en omgeving. Deze balans kan doorslaan onder invloed van een ongunstige darmflora en een laaggradig actief immuunsysteem. Maar als ‘autismegenen’ zo ongungstig zouden zijn, waarom zijn ze er dan niet tijdens onze evolutie uitgefilterd?

 

Martin Brüne, professor cognitieve neuropsychiatrie aan de Ruhr-Universiteit in Bochum (DE), noemt enkele evolutionaire voordelen, die van toepassing zouden kunnen zijn op verschillende subtypen van autistiform gedrag [6]. Daarmee erkent hij tegelijkertijd het fenomeen dat de groep ASS’ers verre van homogeen is.

 

Mogelijke overlevingsstrategieën

Een mogelijk voordeel van ASS is slow life history. Deze overlevingsstrategie zou ervoor kunnen zorgen dat bestaansbronnen voor de lange termijn worden bewaard. Daarbij zou men kunnen denken aan verzamelingen aanleggen, maar ook aan investering in langetermijnrelaties in plaats van snel wisselende contacten.

 

Ook noemt hij low fitness als strategie. Dit is het vertonen van afhankelijk of verstoord hechtingsgedrag om te zorgen voor meer aandacht, bescherming en zorg door de ouders. Dit zou de overlevingskans kunnen verhogen.

 

Tot slot ziet hij de mogelijkheid om van een trade off te spreken. Het sociale vermogen zou minder sterk ontwikkeld kunnen zijn ten bate van een hogere algemene (of wellicht technische) intelligentie. Dit heeft overigens alleen betrekking op de hoger functionerende varianten, zoals (voorheen) asperger.

 

Van proximaal naar ultiem

Cognitieve gedragstherapie, zelfinzicht en inzicht in het denken van anderen (theory of mind), relatietherapie en lotgenotencontact zijn op dit moment de meest effectieve manieren om de cliënt te leren omgaan met autisme. Ook aanpassing van de omgeving, zoals een speciaal ingerichte (prikkelarme) werkplek, kan het functioneren vergemakkelijken. Daarbij mag een intensieve darminterventie dus eigenlijk niet ontbreken.

 

Maar niet alleen de proximale factoren verdienen aandacht; het gaat uiteindelijk ook om ultieme (evolutionaire) werkingsmechanismen. Daarom zou men ook altijd naar de adaptieve kanten moeten kijken van aandoeningen zoals ASS. Hoewel daar nog veel onderzoek naar gedaan moet worden, gaat men op deze manier de symptomen in ieder geval zien als de uitkomst van (verstoorde) relaties tussen mens, psyche, darm, voeding en omgeving. Of, in sommige gevallen, misschien zelfs als een evolutionair voordeel.

 

Ook is het van belang niet te snel te medicaliseren, aldus Brüne: “Als men psychiatrische stoornissen gaat zien als extreme variatie in plaats van afwijkingen ten opzichte van de norm, wordt het aannemelijk dat de adaptieve aspecten van afzonderlijke symptomen, syndromen en aandoeningen er werkelijk toe doen.” [6]

 

Deze visie zorgt niet alleen voor meer inzicht bij de gezondheidsprofessional, het is ook de basis voor meer zelfinzicht bij je cliënt.

 

Bronnen

[1] https://www.autismspeaks.org/what-autism/diagnosis/dsm-5-diagnostic-criteria

[2] Bears et al., Neuroscience, exploring the brain, p. 803  

[3] Qinrui Li et al, The Gut Microbiota and Autism Spectrum Disorders, Frontiers in Cellular Neuroscience (2017)

[4] Pruimboom L., DMH-communicatie is bidirectioneel, OrthoFyto (juni 2017), pp. 12-9.

[5] https://medicalxpress.com/news/2017-06-autism-gut.html

[6] Brüne M., Textbook of Evolutionary Psychiatry & Psychosomatic Medicine (2nd edition), Oxford University Press (2016), pp. 142-6.